Fotoalbum

Een grieksch dorpje: Andritzéna.
In Griekenland
Gepubliceerd: 09/04/2010
» Reizen
Het Griekenland van tegenwoordig is niet meer dat van Chateaubriand of van Edmond About. Het heeft allerlei veranderingen ondergaan. Uit het kleine stadje, dat Athene in hun tijd nog was, en dat men er dertig of veertig jaren geleden ook nog zag, is thans een stad geworden, die waardig haar plaats inneemt onder de europeesche hoofdsteden. De veiligheid is er overal in het land volkomen. De voornaamste middelpunten en de plaatsen waar men opgravingen doet, zijn met Athene verbonden door spoorwegen of door een net van goede rijwegen.
Zoowel uit Athene als uit Patras bereikt men snel Olympia, Corinthe, Mycene, Argos, Nauplia, Tripolitza en Kalamata: Thebe, Chaeronea, Livadia en Chalkis hebben eveneens hun spoorwegen. Ook in Thessalië kruisen elkander de rails. Van Volo gaat een lijn naar Larissa, een andere naar Kalabaka, waar men een bezoek kan brengen aan de beroemde groep der Meteorenkloosters. Naar Sparta laat men zich per rijtuig of per muilezel brengen, en tusschen den Piraeus en Delphi wordt de dienst door booten onderhouden. Corfoe ligt op den weg der paketbooten, die van Brindisi of Venetië naar Patras gaan. Een uitstapje naar de eilanden van den Griekschen Archipel neemt meer tijd. Maar als men niet tot de Cycladen kan gaan, als men niet vol genoeg is van de archaeologie, om op het eiland Delos aan een dienst ter eere van den god Apollo deel te nemen, dan moet de vriend van kleur en lijn toch altijd Salamis gaan zien en Poros, Aegina en den tempel.
Het reizen in het binnenland is voor toeristen niet altijd en overal gemakkelijk. Naar vele beroemde ruïnen en wonderschoone punten voeren slechts allerwonderlijkste wegen. De heerlijke tocht door de kloven van den Taygetos, de bestijging van den berg Kotylion, op welks top zich de tempel verheft, dien het genie van Ictinos voor den genezenden Apollo oprichtte, zijn ware beproevingen voor het uithoudingsvermogen van den ruiter en zelfs voor dat van den voetganger. Maar zulke moeilijke wegen, die men evenwel zonder nadeelige gevolgen aflegt, dank zij der behendigheid van de muilezels, zijn inderdaad uitzonderingen. Meestal heeft men goede wegen.
Griekenland is een der weinige landen, waar men in dezen tijd van autosnelheid nog reizen kan in een aangenaam tempo en nog kan ronddolen en dwalen en flaneeren naar hartelust. Alleen als men er neiging toe gevoelt, verhaast men den pas of als de gids er roeping toe vertoont. Op harmonieuse wijze wordt de tocht gedaan, zonder lastige haast of tyrannieke snelheid; er zijn van die lange trajecten, waar men uren aaneen geen sterveling ontmoet. En meestal behoeft men slechts even zich buiten de poorten van een stad te begeven, om dadelijk zich te gevoelen te midden van de eenzaamheid der bergen of van de wijde vlakte.
Op menige plek komt de geur van maagdelijken grond u tegen. De illusie zou volkomen wezen, als niet bij elke bocht van den weg plotseling een tempel in puin te voorschijn kwam, of een middeleeuwsch fort, een kapel, die op het instorten staat, of een dorp, waarvan de huizen als een kudde geiten tegen de helling der bergen hangen. Laat ieder, die Griekenland wil zien, haast maken; nu zijn er het toerisme en de vreemdelingenindustrie nog maar in het opkomen. Er zijn nog geen wandaden tegen de schoonheid eener streek te constateeren, en de schilderachtige punten zijn nog ongeschonden.
Alleen de steden hebben genoeg den invloed van den modernen tijd ondervonden, om voor het aan modern comfort verwende menschenkind niet afschrikkend te werken. In de voornaamste plaatsen slaapt en eet men niet al te slecht. Patras, Nauplia, Delphi, Olympia hebben zelfs uitstekende hotels. In de gehuchten en de afgelegen dorpen herbergt de aanzienlijkste burger de doortrekkende vreemdelingen. Ook de op de hoogten gelegen kloosters weten reizigers goed te ontvangen; de monniken van Megaspileon en die uit de Meteorenkloosters zijn beleefde en zeer milde gastheeren. Hoogerop in het gebergte krijgt men een gul onthaal bij de herders, waar nog een aartsvaderlijke eenvoud heerscht. Zij slachten ter eere van den reiziger het traditioneele gemeste kalf, dat aan het spit gebraden wordt en des avonds na het homerische onthaal, als allen in een kring rondom een groot vlammend vuur zijn uitgestrekt, heffen ze liederen aan, herderszangen, populaire melodieën en oude volkswijzen.
Het Griekenland van de herders en de bergbewoners is waard, beter bekend te worden, zooals ook dat der zeelieden de moeite van het bekijken loont. Dat Griekenland wordt door de zee en de bergen van de beschaving afgehouden, en in de afgelegen gedeelten der bergstreken, zoowel als aan de weinig bezochte kusten moet men het echte nationale leven zoeken. Daar hebben de steeds openstaande woningen nog een geur van de oudheid over, en men begroet er den vreemdeling met den naam van “broeder”, adelphé. Dat schilderachtige Griekenland van de herders is door een kunstenaar uit Genève, den knappen photograaf Fred. Boissonas, een vurig bewonderaar van Hellas, onder handen genomen en hij heeft dat meer bekend willen maken naast het artistieke Griekenland in een werk, dat eerlang zal verschijnen, een prachteditie, met den titel: “In Griekenland”. Er zullen slechts een bepaald getal exemplaren voor inteekenaren verschijnen en de prijs is 500 francs.
Honderd-veertig heliogravures zullen het werk luister bijzetten, waaronder een groot aantal buiten den tekst, De heer Daniel Baud-Bovy, de directeur van het Museum te Genève, die den heer Boissonas op zijn reis heeft vergezeld, heeft het verhalende en beschrijvende gedeelte voor zijn rekening genomen. Het werk wordt aangevuld met archaeologische aanteekeningen van den heer G. Nicolle, oud-lid van de Fransche School voor kunst en oudheidkunde te Athene, en met een voorrede van den heer Th. Homolle, den eminenten oudheidkundige, directeur der nationale musea, oud-directeur van de school van Athene.
Het boekdeel, dat een waar kunstwerk is, richt zich zoowel tot de liefhebbers van zeldzame uitgaven en typografische meesterstukken als tot de eigenlijke hellenisten, de archaeologen en de vurige vereerders van Griekenland. De heer Boissonas heeft ons een gulden boek over Hellas willen geven, alleen met de gedachte, een moment van bewondering te wijden aan de natuurlijke schoonheden, de kunstwerken en de historische herinneringen van dat gezegende land. Ook wil hij het land beter doen kennen en begrijpen, want al ligt het vlak vóór de poorten van Europa, toch blijft het een weinig geheimzinnig voor het groote westersche publiek.
Daar het nog niet druk bezocht wordt, telt Hellas zijn bewonderaars nog niet in genoegzaam grooten getale; ze vormen enkel nog maar een élite van geletterden, kunstenaars en archaeologen. En merkwaardig genoeg, al zijn er geschiedschrijvers en dichters, die zich aan Griekenland wijden, schilders heeft het weinige, ten minste onder de Westerlingen. Als men René Ménard uitzondert, is er geen moderne landschapschilder, die zijn inspiratie in Griekenland is gaan zoeken. Onlangs heeft Gustave Fougères, een professor aan de Sorbonne, in eene redevoering op die bijzonderheden gewezen en ze aldus verklaard: “De schilders uit de westersche landen zijn te zeer gewend aan de flauwe omtrekken en het wazige licht der westersche landen, en ze vinden, dat er in het grieksche landschap te veel teekening is en niet genoeg overgang van tinten”.
Maar juist in dien eenvoud der lijnen ligt een der grootste bekoorlijkheden van die onvergelijkelijke natuur; en verder schuilt die in de duidelijkheid en vastheid der lijnen van het reliëf. In de doorschijnende atmosfeer komen alle omtrekken scherp uit, en het grieksche licht doet elke bijzonderheid tot haar recht komen.